Start arrow VACBOND arrow VacFlash arrow STERK GEMENGD
STERK GEMENGD PDF Afdrukken E-mail

In 1994 precies 15 jaar terug werkte het Vlaams Agrarisch Centrum in samenwerking met Jan Douwe Van der Ploeg, hoogleraar Rurale Sociologie aan de Universiteit van Wageningen, de eerste en ook de enige bedrijfsstijlenstudie uit in Vlaanderen.

In deze editie van de VAC-flash vindt u - 15 jaar na datum - een interview met dhr. Jan Douwe Van der Ploeg in het wetenschappelijk magazine EOS door journalist Peter De Jaeger.

Er is blijkbaar niets nieuws onder de zon.

Een greep uit het voorwoord van onze brochure ‘Sterk gemengd’ anno 1994.

De landbouw is in volle crisis. De succes-story van 30 jaar EG is ingestort, en het nieuwe EG-landbouwbeleid biedt al evenmin uitkomst. De besprekingen in de Uruguay-ronde (GATT) duiden op catastrofaal gevolgen. En dit alles wordt nog aangescherpt met regionale beperkingen rond milieu en ruimtelijke ordening (mestwetgeving, groen hoofdstructuur). De vraag is in welk mate de boer zijn eeuwenoude opdrachten (voedselproductie, landschap creëren en verzorgen) nog naar behoren vervult (kan vervullen).

Dit alles roept om een nieuwe aanpak en een toekomstgerichte visie. En het is hierbij vooral nuttig in de eerste plaats de huidige toestand en de reëel bestaande toekomstmogelijkheden te inventariseren.

In deze context zag deze, voor ons land eerste bedrijfsstijlenstudie het levenslicht. Beleidmakers, landbouwlobby’s, wetenschappers en voorlichters hielden tot op heden rekening enkel rekening met bedrijven, economie en politiek. Het is dan ook de grote verdienste van deze studie dat hierin ruim aandacht wordt besteed aan de bedrijfsleiders en hun gezin. Via talrijke interviews werd informatie bijeengebracht over beweegredenen, betrachtingen en verwachtingen van de eerste betrokkenen, de boeren zelf. Dit werk geeft de boeren opnieuw een stem.

Belangrijk in dit onderzoek is tevens de vaststelling dat, niettegenstaande de immense politiek-economische druk naar eenvormige industrialisering, in beide onderzoeksgebieden tal van boerengezinnen nog op een eigen verscheiden manier hun bedrijf hebben weten te runnen en in stand te houden. Zo hebben zij, mogelijk onbewust, een eigen bedrijfsstijl voor de toekomst ontwikkeld.

Deze studie zal zeker heel wat politieke en maatschappelijke verantwoordelijken tot nadenken aanzetten. Ik ben ervan overtuigd dat dit werk een belangrijke bijdrage kan leveren in de ontwikkeling naar een meer verantwoord voedsel- en landbouwbeleid.  Boerenlandbouw hebben de toekomst

De voedsel- en de economische crisis trekken hun wissel op de landbouw. De grootschalige, industriële landbouw wankelt. De toekomst is aan de kleine boeren die het zoeken in verbreding.

We staan aan het begin van een nieuwe landbouwcrisis. Hoge voedselprijzen zorgen voor problemen, met name in arme landen. Er is echter geen gebrek aan voedsel; de verdeling is waardeloos. Voornaamste oorzaak is globalisering en de vrije wereldmarkt. ‘Ontwikkelingslanden kunnen daardoor geen eigen landbouwpolitiek voeren, zoals importheffingen of prijsondersteuningen. Europa en de Verenigde Staten kunnen dat wel. Door die oneerlijke concurrentie, gebaseerd op slechts 15 procent van de wereldvoedselproductie, zijn arme landen afhankelijk van de export vanuit het Westen en verwaarlozen ze hun eigen landbouw. Dat gaat zich nu wreken’, zegt Jan Douwe van der Ploeg, hoogleraar Rurale Sociologie aan Wageningen Universiteit.

Die Vrije wereldmarkt heeft ook geleid tot de razendsnelle opkomst van voedselimperia. Multinationals als Nestlé, Unilever en Ahold worden aangetrokken door het grote geld. ‘De voedselindustrie is op dit moment de sector met de hoogste groei van de toegevoegde waarde, terwijl die van bijvoorbeeld de auto-industrie, chemische industrie en de textiel al jaren constant blijven. Dat is ook de reden waarom chemieconcern DSM nu actief wordt in de voedingsbranche. Het trekt goudzoekers aan.’

De voedselimperia breiden uit door ongelimiteerd andere bedrijven op te kopen. Op die manier krijgen ze torenhoge schulden en moeten ze veel aflossen. De verschuldigde rente wordt betaald met leningen, waarvoor ook weer rente moet worden betaald, enzovoorts. Het hoeft maar even tegen te zitten en deze renterace kost de bedrijven de kop. Van der Ploeg noemt Parmalat als voorbeeld in zijn boek New Peasantries. Dat regionale Italiaanse zuivelbedrijf in de buurt van Parma groeide in korte tijd uit tot een multinational. Nieuwe fabrieken dienden als hypotheek voor een volgende aankoop. De holding had op zijn hoogtepunt 139 vestigingen in dertig landen en een omzet van 7,6 miljard euro. Een ingewikkelde boekhouding moest investeerders en aandeelhouders ervan overtuigen dat de verwachte winsten opwogen tegen de enorm gestegen schuldenlast, die was opgelopen tot 14 miljard euro. Eind 2003 stortte het wankele kaartenhuis ineen en ging Parmalat failliet.

‘Om dezelfde reden is Ahold bijna ten onder gegaan. Dat bedrijf wilde ook zonodig uitgroeien tot een imperium en kocht blindelings supermarkten in Brazilië, de Verenigde Staten en Tsjechië. Die impulsieve acties zijn op tijd deels teruggedraaid, waardoor Ahold nipt aan de ondergang ontsnapte’, aldus Van der Ploeg. ‘Veel van die grote imperia zijn reuzen op lemen voeten. Er hoeft maar dat te gebeuren en ze gaan onderuit.’

Failliet

Van der Ploeg ziet parallellen tussen deze landbouwcrisis en die van 1880 en 1930. In beide gevallen was de vrije markt debet aan de crises. De eerste ontstond door ongehinderde import van goedkope bulkproducten uit Amerika, voornamelijk graan. Daardoor daalden ook andere landbouwproducten in prijs, waardoor de boer zijn portemonnee fors dunner zag worden. De Europese landbouw antwoordde met de productie van hoogwaardige kwaliteitsproducten en een focus op veredeling. In de crisisjaren 1930 viel door de hoge werkloosheid de koopkracht grotendeels weg, waardoor de boer zijn producten niet kwijt kon. Akkerbouwers uit de Wieringermeer kieperden hun graan noodgedwongen in de Zuiderzee, terwijl mensen in de steden honger leden.

Logisch antwoord daarop was de ontwikkeling van landbouwpolitiek. Er kwam van overheidswege een zekere bescherming van de landbouw, terwijl de voedselaanvoer in de stad werd gegarandeerd.

Van der Ploeg: ‘Maar de huidige landbouwcrisis kan niet opgelost worden met kwaliteitsproducten. Die halen we nu al van ver, zoals rundvlees uit Argentinië, kippen uit Thailand en asperges uit Peru. Het klassieke antwoord van landbouwpolitiek kan ook niet meer, want we zijn juist bezig de overheidsbemoeienis met de landbouw af te bouwen. Het is ethisch niet vol te houden dat 80 procent van de landbouwsteun gaat naar 20 procent van de boeren. We zullen het daarom moeten zoeken in de verbreding van de landbouw.’

Sinds de Tweede Wereldoorlog is de landbouw in West-Europa sterk gespecialiseerd. De boer van weleer is agrarisch ondernemer geworden en produceert alleen nog maar melk, varkensvlees of paprika’s. Deze ondernemerslandbouw kan snel uitbreiden door forse kredieten op te nemen en het productieproces te industrialiseren. Voor zijn hulpmiddelen is de boer in toenemende mate afhankelijk van derden. ‘Hij verbouwt zelf geen voer meer, maar koopt sojaschroot op de wereldmarkt. Zijn Holsteinkoeien, niet zelf gefokt maar gekocht op de markt, kunnen niet zonder krachtvoer. De dierlijke mest wordt vervangen door kunstmest. De hoge kostprijzen fluctueren sterk mee met de markt, en zijn soms hoger dan de opbrengstprijs. Dat betekent dat de ondernemerslandbouw extreem kwetsbaar is, bijvoorbeeld als de energie duur is. Dat wordt alleen maar erger naarmate de liberalisering zich doorzet. Daar komt nu die financiële crisis overheen, waardoor een boer niet meer zo makkelijk krediet krijgt bij de banken, terwijl zijn bedrijf juist drijft op krediet.

Kortom, de ondernemerslandbouw komt in zwaar weer terecht. Volgens een prognose van de Rabobank, de grootste kredietverstrekker van de Nederlandse landbouw, zal de komende vijf jaar liefst dertig procent van alle glastuinders er het bijltje bij neerleggen.

Less is more

De boerenlandbouw staat ook niet te juichen, maar die groep is flexibeler. De boeren hebben veel lagere variabele en vaste kosten, omdat ze minder op krediet leven en hun bedrijven meer op eigen besparing zijn gebaseerd. Ze betrekken de hulpmiddelen meer van het eigen bedrijf en hoeven daarom minder aan te kopen. Dus ze hebben meer speelruimte. Opvallend is juist dat dit de bedrijven zijn die zich de afgelopen 15 jaar in multifunctionele richting hebben ontwikkeld. Ze begonnen een boerderijcamping, gingen zelf kaas maken of startten een zorgboerderij. ‘Die verbreding is het zwemvest voor de boerenlandbouw.’

Van der Ploeg onderbouwt zijn stelling met empirisch onderzoek in zes Europese landen: Ierland, Duitsland, Spanje, Italië, het Verenigd Koninkrijk en Nederland. In het peiljaar 1999 blijkt dat de helft van alle professionele boeren, parttimers niet meegerekend, bezig was met enigerlei vorm van verbreding. ‘Het zijn vooral de jongere, beter opgeleide boeren en boerinnen. Heel vaak is de vrouw de verborgen drijfkracht achter deze verandering, omdat ze de toenemende druk beu is. Statistisch gezien gaat her om bedrijven met wat meer grond. Het is dus geen trend van keuterboeren. Door verbreding worden veel agrarische activiteiten in stand gehouden die anders van het platteland zouden verdwijnen. Ook economisch is verbreding erg belangrijk. De extra verdiensten van de verbrede landbouw in die zes landen samen waren het dubbele van het totale agrarisch inkomen van Nederland.’

Van der Ploeg is een roepende in de woestijn, bevolkt door landbouwdeskundigen. Die pleiten in moeilijke tijden juist massaal voor versnelde schaalvergroting. Volgens het groene front is dat absoluut de enige route. Alleen grote bedrijven kunnen in de harde concurrentiestrijd overleven, redeneren zij. ‘Maar een bedrijf kan alleen groot worden door enorme schulden op te bouwen. Dat maakt het bedrijf kwetsbaar, waardoor het bij tegenwind snel over en uit kan zijn, net als bij voedselimperia. Een boerenbedrijf hoeft helemaal niet groot te zijn om robuust te zijn en te kunnen overleven. Op een dergelijke redenering rust een taboe in de westerse agrarische wereld.’

Een klein bedrijf kan wel degelijk een goed inkomen hebben. Less is more, ook in de landbouw. Van der Ploeg: ‘Ik ken melkveehouders die slechts 100.000 liter melken, een vijfde van het gemiddelde. Zij floreren, hebben lol in hun werk en hun kinderen staan te trappelen om de boel over te nemen. Maar volgens de officiële organen zijn dergelijke kleine bedrijven gedoemd te verdwijnen.’

Dat misverstand komt door de manier van boekhouding. Officiële instanties zoals het Landbouw Eonomisch Instituut (LEI) en het landbouwministerie hebben een wezenlijk andere benadering dan de boekhoudbureaus die rechtstreeks voor de boeren werken. Dat geeft een compleet vertekend beeld, aldus Van der Ploeg. De discussie gaat terug tot de Russische landbouweconoom Alexander Chayanov, ooit opgehangen door Stalin. Hij keek alleen naar de monetaire kosten op een boerenbedrijf - de werkelijke uitgaven dus. Op een ouderwets boerenbedrijf heb je geen scheiding tussen kapitaal en arbeid. Daarom gelden daar niet de rekencategorieën voor van kapitalistische bedrijven, aldus de Rus. Van der Ploeg is het daarmee eens. Het LEI rekent met een kunstmatige kostenstructuur om bedrijven te kunnen vergelijken. Alles krijgt een prijskaartje van wat het op de markt doet. ‘Maar daarmee moffel je essentiële verschillen onder tafel. Je rekent allerlei kosten aan die een boerenbedrijf in feite helemaal niet heeft’, zegt Van der Ploeg.

Zo wordt de arbeid op het erf uitgedrukt in een cao-loon en worden zelfgefokte koeien uitgedrukt in de prijs die de beesten op de markt zouden kosten. Zelf geproduceerde mest en veevoer worden afgezet tegen de marktwaarde van kunstmest en krachtvoer. Een gekochte tractor wordt in vier jaar afgeschreven volgens de nieuwwaarde, terwijl een boer vaak een tweedehandse koopt en daar nog vijftien jaar mee doet. ‘Een boerenbedrijf zit in werkelijkheid met veel lagere kosten dan wordt doorberekend door het LEI. Daardoor zijn de resultaten van de kleinere boeren volgens de statistieken veel slechter dan in werkelijkheid.’

Stedelingen worden boer

Hoe het ook zij, de filosofie van de overheid en landbouwvoormannen blijft recht overeind. Zo heeft de LTO (Land en Tuinbouw Organisatie) zichzelf in de jaren 1990 geherdefinieerd. De boerenbond is er sindsdien nadrukkelijk voor de bedrijven ‘van de toekomst’. Kleine bedrijven hebben geen bestaansrecht en zijn een sta-in-de-weg voor verdere groei van hun collega’s in de ondernemerslandbouw. De grote groeiers worden op talloze manieren bevoordeeld. Zo krijgen ze kwantumtoeslagen bij de afzet van hun melk. Ze betalen minder veilingkosten. De verplichting om mest te injecteren om ammoniakuitstoot tegen te gaan was gebaseerd op grootschalige intensieve bedrijven. Kleinere bedrijven gebruiken echter mest met veel minder stikstof erin. Dergelijke dure technologie is voor hen veel moeilijker in te passen in de bedrijfvoering.

Van der Ploeg noemt een andere uitwas: de kalvermesterij. Na protest voor dierenrechten is het verboden de kalveren nog kort aan te binden in de stal. Dat verbod heeft tot gevolg dat er een absurde rechtszaak loopt tegen een fokker die werkt met Fries-Hollandse koeien in een open grupstal. Dat is een oud type stal waarbij de dieren naast elkaar staan vastgebonden, achter de dieren loopt een vrij diepe, brede goot (een grup) om mest en urine op te vangen en af te voeren. In zijn stal staan de kalveren vast aan een lang touw van drie meter, om ervoor te zorgen dat ze niet de goot in donderen, maar vooral om eraan te wennen dat ze straks vast staan in de stal. Van de controlerend ambtenaar mocht dat niet. ‘Dat is weer een voorbeeld van hoe de boerenlandbouw in de knel komt door regels die zijn gemaakt voor de industriële boerenbedrijven.’ De regelgeving gaat sowieso erg ver, vindt Van der Ploeg. Hij is voor ‘wettelijk geconditioneerde zelfregulering’. Nu is het beleid te veel afgestemd op middelen en niet op doelen. ‘Laat de boeren vrij om hun eigen vak manschap te benutten. Nu worden ze te veel beknot in de uitvoering van hun beroep.’

Een ander voorbeeld zijn de houtwallen, natuurlijke afrasteringen van percelen die vooral bestaan uit struiken en struweel en zorgen voor biodiversiteit op het platteland. De mooiste zijn te vinden in de Friese Wouden en de Achterhoek. Daar staat van oudsher prikkeldraad langs beide kanten om te voorkomen dat de koeien in de struiken klimmen en zich bezeren. Vaak groeien bramen over de houtwallen heen, waar mensen in het najaar dankbaar van plukken. Volgens de wet moet de draad echter zichtbaar blijven. De bramen mogen dus niet gaan woekeren. ‘Boeren worden er horendol van en zijn al acht jaar aan het procederen tegen deze bizarre regel. Zo jaag je de kat de gordijnen in en maak je boeren niet warm voor landschapsonderhoud. En landschapsonderhoud is nu juist een van de extra taken waar een ‘nieuwe boer’ geld mee kan verdienen.’

Al met al ziet Van der Ploeg wereldwijd het aandeel van de ondernemerslandbouw slinken ten gunste van de boerenlandbouw. Niet alleen procentueel maar ook in absolute zin. Cijfers van de FAO bewijzen dat er steeds meer boeren bijkomen. Zo zijn er in Brazilië grote boerenbedrijven afgebouwd en omgezet in kleinere bedrijven. Daarnaast is er uit de beweging van de landlozen, Movimento dos Sem Terra, een miljoen nieuwe boerenbedrijven ontstaan in de afgelopen vijftien jaar. De eigenaren zijn weggetrokken uit de sloppenwijken van de grote stad en beginnen een nieuw bestaan op het platteland. Soortgelijke processen doen zich ook dichterbij voor, zoals in Oost-Europa. Ook in het Westen zie je stedelingen naar het platteland trekken. Zo waren de eerste biologische boeren pioniers uit de stad die op kleine schaal voor zichzelf begonnen te boeren.

De Zonnehoeve, een bedrijf in Flevoland, is exemplarisch voor de toekomst. Een gemengd bedrijf in ecologisch evenwicht met de streek. Verbouwd graan wordt ter plekke vermalen, en verkocht aan winkels en bakkers uit de buurt. Ossen lopen in een stuk natuur van de Oostvaardersplassen en worden verkocht aan de plaatselijke slager en restaurants. De melkveetak maakt zelf kaas en andere zuivelproducten die aan huis worden verkocht. Op het bedrijf is een manege die onderdak biedt aan paarden van stedelingen. Verder zijn er woonverblijven gebouwd voor mensen die meewerken op de zorgboerderij als therapie.

Dergelijke gemengde bedrijven met een streekfunctie komen er steeds meer. Boeren wordt weer persoonlijk, het anonieme en het grootschalige van weleer verdwijnen. De ondernemer wordt weer boer met een eigen, herkenbaar gezicht. Boer is geen scheldnaam meer, maar een leuk vak.

Bron: EOS 
 
< Vorige   Volgende >